Lezing Zr Mirjam
Bij afwezigheid van Leo Fijen (wegens ziekte) was Zr Mirjam zo vriendelijk om hem te vervangen met de volgende lezing:
"Groeien in gemeenschap"
Als Leo Fijen hier gestaan had, dan had hij ongetwijfeld iets verteld over de spiritualiteit van kloosters, over de wijsheid en de levensstijl die je kan vinden in de kloosters, over de weg van het hoofd naar het hart. We moeten het vandaag zonder Leo doen, maar ik ga u wel iets vertellen over de spiritualiteit van dit klooster.
In onze spiritualiteit speelt gemeenschap een belangrijke rol. Wie geloften aflegt in onze gemeenschap doet dat met de woorden: ‘Ik schenk mijzelf aan God en de dienst van de Kerk in deze gemeenschap’. Dat is het hart van het leven van een kanunnikes, dat is de clou van ons leven. Onze specifieke religieuze weg is: Wij wijden ons toe aan God in en door de gemeenschap. Je zou kunnen zeggen: het charisma van ons religieuze leven wordt bepaald door ‘gemeenschap’.
Gemeenschap
‘Gemeenschap’ heeft het sinds de jaren ‘60 niet gemakkelijk in onze cultuur. Er is veel nadruk gekomen op het persoonlijke, op het individu. Mensen verbinden zich niet graag aan een instituut als een vereniging, politieke partij of een kerk. Het groepskarakter lijkt mensen kopschuw te maken. Toch lijkt er de laatste jaren een kentering te komen. Mensen zoeken weer naar verbondenheid, zoeken weer naar iets dat verbindt, waar je samen aan gaat staan. Zoeken naar iets dat groter is dan ‘ik’. Boudewijn de Groot zong in de jaren ’60: ‘Hoe sterk is de eenzame fietser?’ Iedereen weet het antwoord: Niet sterk!
Wie bezield is door een verlangen, een religieus verlangen, zoekt bondgenoten. Bondgenoten om samen mee op weg te gaan, om samen ‘de weg’ te gaan, om vorm te geven aan het verlangen. Het betekent vaak dat je je aansluit bij een bestaande groep geestverwanten. Wij zijn immers de eersten niet. Mensen vóór ons hebben een weg gebaand, hebben ervaringen opgedaan, hebben een wijsheid ontwikkeld waar wij ons voordeel mee kunnen doen. Van die wijsheid moet je gebruik maken, want leven in een gemeenschap is niet eenvoudig. |
|
Een gemeenschap is nooit een statisch geheel. Zij is altijd in beweging, zij is voortdurend aan verandering onderhevig. In de eerste plaats omdat zij deel uitmaakt van de samenleving. Maatschappelijke veranderingen gaan de deur van een klooster niet zomaar voorbij. Ze dringen ons leven binnen en wij moeten ons ermee verhouden. In de tweede plaats omdat iedereen die in een gemeenschap intreedt, het leven in die gemeenschap mee gaat bepalen. Met de komst of het vertrek van een zuster verandert de gemeenschap, worden relaties opgeschud, verandert de sfeer in huis. Een gemeenschap is als een levend lichaam. Daarom kunnen we ook denken over ‘groeien in gemeenschap’. De uitdrukking ‘groeien in gemeenschap’ is meerduidig. Je kunt het op verschillende manieren verstaan: Het kan betekenen dat de zin voor de gemeenschap toeneemt, dat de gemeenschap meer en meer wordt opgebouwd, dat het gemeenschapsleven hechter wordt, zich verdiept. En het kan óók betekenen dat de gemeenschap zich uitbreidt. Die twee aspecten hangen met elkaar samen. Daar wil ik wat dieper op in gaan.
Regel van Augustinus
Wie nadenkt over religieus gemeenschapsleven kan niet om Augustinus heen. Augustinus, bisschop en monnik in de 4 e eeuw in Noord-Afrika, schreef een ‘Regel voor de Gemeenschap’, waar wij nú, na 16 eeuwen, nog steeds naar leven.
Er zijn vast mensen die kippenvel krijgen bij het woord ‘Regel’. Het idee dat je naar regels zou moeten leven! Als Augustinus een boek met regeltjes voor een gemeenschap zou hebben geschreven, dan was het allang in de geschiedenis verdwenen. Afgedaan als goedbedoeld, maar achterhaald.
Augustinus schreef ‘de Regel’ en wij schrijven dat met een hoofdletter! Hij schetst daarin de grote lijnen voor het leven in een religieuze gemeenschap. Het gaat niet om details, maar om basisprincipes. Augustinus wil met zijn Regel mensen niet beklemmen, maar ze binnen voeren in het Geheim van God. Augustinus was niet alleen een theoloog, maar bovenal een mystagoog. Hij wil mensen begeleiden op hun weg naar God. Op basis van zijn eigen ervaring, zet hij een geestelijke weg uit, en die weg speelt zich af in en door de gemeenschap.
De opening van de Regel begint met de woorden: ‘Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen, één van ziel en één van hart op weg naar God’. Augustinus is sterk gericht op eenheid. Dat komt in zijn preken en in zijn theologisch denken veel naar voren. Augustinus zoekt temidden van de veelheid altijd naar de eenheid. God, de Drie-Ene, is één. Als God één is in zichzelf, moet ook de gemeenschap van mensen één zijn. Eenheid is voor hem de voorwaarde om tot God te kunnen komen. Niet alleen eenheid ín de mens zelf, maar eenheid onder mensen, in de gemeenschap van mensen. Als mensen in eenheid samen zijn, zijn zij ontvankelijk voor Gods genade, voor zijn liefde. Augustinus is dan ook gegrepen als hij in het Boek van de Handelingen (4,32) leest over de eerste christelijke gemeenschap: ‘De menigte gelovigen was één van ziel en één van hart’. Dát is zijn ideaal van een geloofsgemeenschap. Zoals hij het zelf bondig formuleerde: ‘Samen één, in de ene Christus, onderweg naar de ene Vader’.
Dat is de openingsregel, de opmaat, waar de rest van de Regel in besloten ligt. Alles wat daarna komt zijn aanwijzingen om tot eenheid of eensgezindheid te komen in de gemeenschap. Want: die eenheid is er niet vanzelf, daar zijn wij naar op weg! Als je intreedt in een gemeenschap kom je niét in een hemel op aarde, je treft niét een eensgezinde groep mensen aan. Je sluit je aan bij een groep mensen die onderweg is, op weg naar die eensgezindheid en op weg naar God. ‘Eén van hart en één van ziel’ is een opdracht voor een gemeenschap, het geeft een richting aan, het is een visioen, een wenkend perspectief. Ieder heeft een diep verlangen naar die eensgezindheid, en voelt onderlinge verdeeldheid als een pijnlijk tekort.
Het regelen van onderlinge verschillen
Alle praktische aanwijzingen in de Regel over bidden, over eten, over vasten, over kleding, over wat te doen bij verliefdheid enz. zijn als bakens op de weg naar eenheid in verscheidenheid. En het sleutelwoord bij al die aanwijzingen is: maatwerk. ‘Gelijke monniken, gelijke kappen’, bestaat niet bij Augustinus. In de tijd van Augustinus waren de verschillen tussen de broeders en zusters net zo groot als in onze tijd. Augustinus waagde het om een gemeenschap te vormen van mensen afkomstig uit verschillende standen. Een gemeenschap waar vrijgekochte slaven samenleefden met mensen uit de hogere standen. Een ongekend experiment! Het was ook een stuk maatschappijkritiek, een protest tegen de sociale ongelijkheid. Het onmogelijke bleek mogelijk te zijn, omdat Augustinus met wijsheid en liefde te werk ging.
Zijn regels voor het samenleven zijn vooral gericht op het omgaan met onderlinge verschillen, omgaan met verscheidenheid, maar zonder dat iemand zich achtergesteld voelt of de kans krijgt zich op de voorgrond te dringen. De een heeft meer eten nodig dan de ander, de ander meer rust of aandacht. De één kan veel werk verzetten, de ander weinig enz. Ieder krijgt wat ze in redelijkheid nodig heeft, om te kunnen deelnemen aan het gemeenschappelijk leven en zo naar God toe te groeien. Er is waardering en ruimte voor ieders eigenheid, en tegelijk wordt het einddoel steeds voor ogen gehouden. Het is zeker niet het ideaal van Augustinus dat iedereen dezelfde grijze muis wordt. Niet iedereen is in staat hetzelfde te doen, maar ieder moet doen wat in zijn of haar bereik ligt. Iedereen wordt gestimuleerd op zijn weg naar God, maar er is respect voor ieders eigen tempo.
Ik denk dat het principe ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ veel gemakkelijker te leven is dan ieder krijgt wat ze nodig heeft. Het vraagt grote volwassenheid om te accepteren dat een ander meer nodig heeft en krijgt (!) dan jij. Het betekent dat die ander anders mag zijn. Dat je de ander niet meer beoordeelt naar je eigen maat, maar de ruimte geeft. Dat vraagt ruimhartigheid en onbaatzuchtigheid.
De kraamkamer van de liefde
Met die houding komen we bij de kern van de Regel. Het hart van de Regel staat in hoofdstuk 5, dat is ook letterlijk het midden van de Regel. Daar wordt gesproken over onderlinge dienstbaarheid. Je zou het de kraamkamer van de liefde kunnen noemen. Na een paar praktische punten zegt Augustinus: ‘De bedoeling van dit alles is: dat niemand in haar werk haar eigen voordeel zoekt. Alles moet gebeuren in dienst van de gemeenschap en met meer ijver en meer geestdrift dan wanneer ieder voor zichzelf en haar eigen belang zou werken. Dat wil zeggen: dat men het gemeenschapsbelang boven het eigen belang kan stellen’. Dat is liefde. Het is wat Paulus in het Hooglied over de liefde schrijft: De liefde zoekt zichzelf niet.
Om dat te kunnen moet een mens leeg worden van zichzelf. Het vraagt het loslaten van een ik-gerichtheid. Het relativeren van je eigen agenda, eigen plannen, verwachtingen, ambities. Kun je dat loslaten om te doen wat de gemeenschap van je vraagt? Kun jij aan anderen vragen, wat Jezus vraagt aan de blinde langs de weg: ‘Wat wil je dat ik voor je doe?’ Wie zich toevertrouwt aan de werking van de gemeenschap, wie groeit in gemeenschap, moet zichzelf loslaten. De gemeenschap als plaats van ontlediging
Leven in gemeenschap vraagt loslaten. De crux van het religieuze gemeenschapsleven is, dat je gaat samenleven met mensen die je niét zelf gekozen hebt. Al je verwachtingen, behoeften en idealen vallen aan stukken, want je medezusters zijn anders dan jij gehoopt had. Je kunt een gemeenschap niet naar jouw hand zetten. Je loopt aan tegen het anders-zijn van de anderen. In het diepst van onze gedachten creëren we graag een ideale gemeenschap, maar we moeten het doen met de realiteit van onze eigen persoon en de andere leden van de gemeenschap. Dat lijkt een handicap, maar ten diepste is het genade. De realiteit van het gemeenschapsleven, met haar grootheid en gebrokenheid, en het appèl dat de gemeenschap op je doet, dwingen je om jezelf en je behoeften los te laten. De gemeenschap weekt je los van je ik-gerichtheid en opent je voor de ander. Augustinus noemt dat: genezing tot gemeenschap. Een mens geneest van zijn zelfbetrokkenheid, wordt ontvankelijk voor Gods genade en gaat open voor anderen. Een mens wordt vrij, echt vrij, om er te zijn voor anderen. Dat wil zeggen: om de broeder of zuster naast je te beminnen. Liefde is het sleutelwoord in de spiritualiteit van Augustinus. Liefde bij Augustinus is heel concreet: bedacht zijn op het welzijn van je naasten.
Dat is de diepste bestemming van de mens, dat is de mens zoals God hem bedoeld heeft. Dat is het proces wat Augustinus op het oog had toen hij de gemeenschap koos als geestelijke weg.
Leven in een gemeenschap vormt een mens. Wij worden mensen aan elkaar. We worden aan elkaar geslepen als diamanten. We ontdekken onze diepste eigenheid in het samenleven met andere mensen.
Augustinus vergelijkt een gemeenschap met een vuuroven. Dat beeld heeft twee kanten: je kunt er knetterend in opbranden (en dat gebeurt als je denkt dat een gemeenschap een veilige haven, warme deken of spiritueeel bubbelbad is), maar het kan je ook uitzuiveren: je word bevrijd van je zelfzucht, het kan je meer mens maken, al is het door een pijnlijk proces heen.
Als we uitgezuiverd zijn in en door de gemeenschap gaan we met Gods ogen kijken naar onszelf en naar anderen. Dan kunnen we in de ander God vrij kijken. Augustinus zegt: ‘Eert in elkaar God, want ieder van jullie is zijn tempel geworden’. God woont in ieder lid van de gemeenschap – het is pure genade als wij dat gaan zien.
Gemeenschap als lichaam
Augustinus heeft zich bij het nadenken over gemeenschap laten inspireren door de apostel Paulus, die in de Brief aan de Korintiers (I Kor.12) schrijft over de Kerk als lichaam: Vele ledematen vormen één geheel. Stel je voor dat de voet zegt: omdat ik geen hand ben, behoor ik niet tot het lichaam. En stel je voor dat het oor zegt: omdat ik geen oog ben, behoor ik niet tot het lichaam. God heeft ieder lidmaat zijn plaats gegeven in het lichaam. Er zijn vele ledematen, maar één lichaam. De voet kan niet tot de hand zeggen: ik heb je niet nodig. Het oor kan niet tot het oog zeggen: ik heb je niet nodig. Nog sterker: juist die delen van het lichaam die het zwakst schijnen te zijn, zijn onmisbaar. God heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij aan het mindere méér eer gaf, opdat er in het lichaam geen verdeeldheid zou zijn en de ledematen eendrachtig voor elkaar zouden zorgen.
Een prachtig beeld, waarbij verscheidenheid gewaardeerd wordt, en bijdraagt tot het grotere geheel. Paulus spreekt over onderlinge zorg en eer geven aan elkaar. En let op: de delen die het zwakste lijken te zijn, zijn het meest onmisbaar! Dat is iets waar we over na moeten denken.
Groei in gemeenschap
‘Groei in gemeenschap’ gebeurt mijn inziens als we, gegeven onze verscheidenheid, er meer en meer in slagen om eensgezind samen te leven op weg naar God. Dat betekent dat ieder lid van de gemeenschap zich moet laten ‘genezen tot gemeenschap’. Ieder moet met toewijding de geestelijke weg van de gemeenschap gaan, willen wij samen groeien in gemeenschap. De reden dat wij die weg gaan is geen ander dan ons verlangen naar ‘geestelijke schoonheid’, ons verlangen naar God. God is de bron en het einddoel van ons verlangen. Hij is de dragende grond van het ‘groeien in gemeenschap’.
Als wij groeien in gemeenschap, verspreiden we de ‘goede geur van Christus’. Die ‘goede geur van Christus’ kan in anderen het verlangen wekken naar God. Communio leidt tot missio. Ieder gemeenschap heeft een werking naar buiten. Dan wordt die andere ‘groei in gemeenschap’ mogelijk: het toenemen in omvang, in verbondenheid, in kwantiteit.
Tenslotte: waar het uiteindelijk op aankomt bij ‘groeien in gemeenschap’ is: elkaar dragen en verdragen. Augustinus zegt met nadruk: ‘Verdraag elkaar vol liefde’. In het woord ‘verdragen’ beluisteren we niet alleen de idee van geduld (geduld hebben met anderen), maar ook de idee van dragen. Mensen dragen mensen. Een ander draagt jou, jij draagt een ander. Wij leven van elkaars barmhartigheid en welwillendheid.
Een zuster die haar professie doet, vraagt de barmhartigheid van God en de welwillendheid van de gemeenschap. Wie daarom vraagt en bereid is daarvan te leven, groeit in gemeenschap.
Zr.Mirjam Hoogenbosch c.r.s.s.
Presentatie Maarten Grasveld
De tweede spreker op de Vriendendag was tuinarchitect Maarten Grasveld. Als vriend en vrijwilliger ontwierp hij het plan om de grote tuin van het landgoed Doornburgh terug te brengen naar een aantal oorspronkelijke vormen. Aan de hand van foto's en een zeer boeiend verhaal werden de vorderingen voor de vrienden aangetoond. |